Wat kunt u verwachten?

Het behandelteam adviseert of een prothese wel of niet mogelijk is in uw situatie. Bij deze beslissing kijkt de revalidatiearts of arts-assistent naar:

  • De toestand en conditie van uw geamputeerde been;
  • De toestand en conditie van uw andere been;
  • Uw lichamelijke situatie vóór de amputatie (als u bijvoorbeeld al geruime tijd niet heeft kunnen staan en lopen, is het lastiger om met een prothese om te kunnen gaan);
  • Uw algehele conditie;
  • Uw evenwichtsgevoel;
  • Uw gezichtsvermogen;
  • Uw leervermogen;
  • Uw motivatie.

Revalideren met en/of zonder prothese

Als u zelf twijfelt of een prothese een goede keus voor u is, kunt u dit bespreken.
Wanneer u  eerder het advies heeft gekregen om (nog) geen prothese te nemen maar uw situatie is veranderd, vraag dan aan uw fysiotherapeut of revalidatiearts wat de mogelijkheden nu zijn. Wanneer blijkt dat een prothese nu wel wenselijk is, kan uw revalidatiebehandeling gestart of aangepast worden.

Veranderingen in uw situatie kunnen ook leiden tot het besluit om het gebruik van een prothese te stoppen. De behandeling richt zich dan op het leren functioneren met één been, zonder prothese.

Als een prothese voor u niet geschikt is,  leert u tijdens de behandeling functioneren met één been zonder prothese. Krijgt u wel een prothese, dan leert u te functioneren mét en zónder prothese.

Proces van amputatie tot prothese

U komt in aanmerking voor een prothese, hoe gaat het nu verder? De revalidatie wordt gekenmerkt door acht verschillende fases:

1.  Amputatiewond is genezen en stomp is stabiel in omvang

Zoals u eerder heeft kunnen lezen gaat een beenamputatie gepaard met een relatief grote wond met veel hechtingen. Houdt u er daarom rekening mee dat het lang kan duren voordat de wond geheeld is. Zeker als er sprake is van diabetes, een verminderde doorbloeding van de vaten en/of een slechte algehele conditie. Een periode van 2 tot 3 maanden is niet uitzonderlijk.
In deze periode treedt stompvorming en stompharding op, zie ook in het hoofdstuk “oefenen”.

2. Bepalen van prothese-receptuur

Een prothese bestaat uit verschillende onderdelen. In een overleg met de revalidatiearts, de instrumentmaker, de fysiotherapeut en u als gebruiker, zal een voorstel worden gedaan voor de prothese onderdelen: de prothese-receptuur. Gezamenlijk zoeken we de prothese die het beste bij uw situatie past.

Welke onderdelen worden gekozen, hangt af van een aantal factoren. Van belang zijn:

  • Het amputatieniveau;
  • De kenmerken van de stomp;
  • Het vroegere niveau van functioneren;
  • Het verwachte niveau van functioneren met prothese;
  • Welke activiteiten u met de prothese wilt uitoefenen, zoals vrije tijdsbesteding en bijzondere hobby’s;
  • Lichaamsgewicht.

Er bestaan verschillende systemen om de prothese aan de stomp te bevestigen. Omdat veel systemen uit losse onderdelen bestaan, zijn er achteraf nog wel aanpassingen te maken en kunt u eventueel verschillende mogelijkheden uitproberen.

De prothese onderdelen worden vervolgens besteld en binnen een aantal weken geleverd.

3.  Maat nemen van de prothese

Het aanmeten van  de prothese  kan op twee manieren.  Of de instrumentmaker maakt een gipsafdruk van  de stomp. Of de prothesekoker wordt direct over een liner (siliconen kous) en de stomp aangemeten. In het laatste geval kunt u  dezelfde dag starten met oefenen.

4.  Vervaardiging van de prothese

Met behulp van de maten wordt de koker gemaakt en de benodigde onderdelen van de prothese worden besteld. De prothesekoker wordt van een hard materiaal (giethars)  gemaakt. Aan de koker wordt een adapter verbonden, waaraan andere onderdelen van de prothese kunnen worden gekoppeld. Wanneer alle onderdelen zijn gemonteerd, kan de prothese gepast worden.

5.  Passen en uitlijnen

Als u bij de prothesemaker komt om de prothese te passen, wordt als eerste de pasvorm gecontroleerd en indien nodig bijgewerkt. Als de pasvorm in orde is, kunt u staan. U zult wellicht drukpunten voelen; het is belangrijk te laten weten wat u voelt en waar, zodat dit gecorrigeerd kan worden. Ook de lengte van de prothese wordt eventueel iets aangepast.

Daarna wordt u gevraagd in een loopbrug enkele stappen te lopen om uw looppatroon te bekijken en de prothese uit te lijnen.

6.  Oefenfase en controles

Zijn de drukpunten verholpen en is de prothese uitgelijnd, dan gaat u met de fysiotherapeut en evt. de ergotherapeut oefenen in het staan, lopen en bewegen met de prothese. Het dragen van de prothese moet geleidelijk worden opgebouwd door middel van een opbouwschema dat uw fysiotherapeut voor u opstelt. Als eerste zult u samen met de fysiotherapeut het aan- en uittrekken van de prothese gaan oefenen. De draagtijd van de prothese zal opgebouwd worden.

Ook de stomp wordt goed gecontroleerd op drukplekken om wondjes te voorkomen. Sta- en looptraining start meestal in de loopbrug. Zodra dit goed gaat zal dit verder uitgebreid worden met lopen met rollator of krukken. Uiteindelijk wordt er toegewerkt naar het gebruik van de prothese in het dagelijks leven, zoals traplopen, lopen op verschillende ondergronden, iets oprapen, van en naar de grond, activiteiten in zelfverzorging, huishouden, hobby en werk.

Het is belangrijk dat de prothese goed past en optimaal functioneert. Houdt u er rekening mee dat het lopen met een prothese altijd meer energie kost dan voorheen. Tijdens de revalidatie vinden er nog regelmatig controles plaats om te bepalen of er nog veranderingen moeten worden aangebracht.

7.  Afwerkfase

Voldoen de prothesekoker en de andere onderdelen van de prothese en is de prothese goed uitgelijnd, dan wordt de prothese meestal nog extra versterkt. Tot slot wordt de prothese cosmetisch afgewerkt door de instrumentmaker. Geprobeerd wordt om de prothese hetzelfde uiterlijk te laten krijgen als uw andere been. Hier eindigt veelal de revalidatiebehandeling.

8.  Nazorgfase

Wanneer de revalidatie is afgerond, blijft u onder controle van  revalidatiearts en instrumentmaker. Er kunnen veranderingen optreden van de stomp, van uw medische situatie of van uw lichaamsgewicht, waardoor er gekeken moet worden naar de prothese. De prothese wordt ook gecontroleerd, omdat deze slijt en soms gerepareerd of vervangen moet worden.

Daarnaast kunt u na uw revalidatieperiode nog behoefte hebben aan advies vanuit Rijndam. Bijvoorbeeld over aanpassingen, hulpmiddelen of verwerking. De controles zijn dus om verschillende redenen belangrijk en zinvol.

Wij roepen u tenminste één keer per jaar op voor een afspraak.  Als er tussentijds een probleem is met uw prothese, kunt u zelf contact opnemen met de instrumentmaker Ga vooral niet zelf sleutelen aan de prothese.

Bij wondjes of andere medische problemen kunt u een afspraak maken bij uw revalidatiearts.